Discriminatie van ongelovigen in de islamitische praktijk

De islam heeft een heel expliciet negatief beeld van ongelovigen. De Koran en de hadieth spreken veelvuldig over dit onderwerp, en laten er geen misverstand over bestaan: ongelovigen zijn het ‘slechtst van alle schepselen’ (soera 98:6), ze zijn onrein en smerig (soera 9:28) en Allah heeft ongelovigen die niet luisteren naar de boodschap van de islam dan ook bestemd voor de hel (soera 7:179).

Er gelden speciale wetten en regels voor ongelovigen. Joden en christenen moeten bijvoorbeeld een speciale belasting betalen, de djizyah (جزية), die hun inferioriteit onderstreept. Ibn Kathier zegt in zijn commentaar (tafsier) op soera 9 dat het betalen van  djizyah “een teken van kufr en schande is” (Kufr verwijst ongeloof en ondankbaarheid naar Allah).

Ook zegt Ibn Kathier in zijn commentaar: “Groet Joden en Christenen niet als eerste, maar als je hen op straat tegenkomt, dwing hen naar het nauwste gedeelte van de straat” (zie ook Sahieh Muslim 26:5398).

Daarnaast worden in het Pact van Umar allerlei vernederende regels opgesomd waar christenen zich aan moeten houden. Bijvoorbeeld niet in het openbaar je geloof belijden, je plaats afstaan aan moslims, en geen paard of ander dier mogen berijden.

Een bijzonder element in het Pact van Umar is dat christenen (en andere ongelovigen) een gele riem, de zunaar (زنار) moeten dragen om herkenbaar te zijn. Ongelovigen moeten immers herkenbaar zijn om hen djizyah te laten betalen en alle andere discriminerende regels op hen toe te passen.

In de 9e eeuw verving een kalief in Bagdad de zunaar door een gele badge. Akbar de Grote liet ook Hindoes deze badges dragen (Harbans, Mukhia (2004), The Mughals of India, p.154). Zelfs veel later in 2001 lieten de Taliban alle niet-moslims gele badges dragen. Overigens deed deze gele badge ook zijn intrede onder de Nazi’s, toen zij alle Joden verplichtten een gele davidsster te dragen.

De discriminerende praktijk van de zunaar, en later de gele badge, heeft dus een lange traditie in de islam. Moslims zijn immers “de beste gemeenschap die uit de mensen is voortgebracht” (soera 3:110), en zij behoren minderwaardige kuffaar (ongelovigen) dan ook als zodanig te behandelen.

De oprechte vraag bij dit alles is: Is dit werkelijk de wil van God, om zo met ongelovigen om te gaan? Dit lijkt erg in tegenspraak met het idee van een liefhebbende, goede God. Des te meer een reden dus om de islam vaarwel te zeggen.

Hoeveel mooier is dan wat de Bijbel ons leert! Volgens de Bijbel zijn alle mensen geschapen naar Gods beeld (Gen 1:27), en hebben dus dezelfde intrinsieke waarde. God is liefde (1 Joh 4:8), en heeft alle mensen lief. “Want also lief heeft God de wereld gehad…”(Joh 3:16). God zond Jezus, Zijn Zoon, om slechte mensen te redden van hun zonden en eeuwig leven te geven.

Een gelovige christen ontvangt redding uit genade, niet uit eigen goede daden. Er is dus geen reden voor een christen zich beter te voelen dan een ander (Efez 2:8-9). Een christen moet zelfs zijn vijand liefhebben (Matt 5:44)! Discriminatie is anders dan in de islam dus absoluut tegen Gods wil.

Bovendien wil God dat “alle mensen gered worden” (1 Tim 2:4). God heeft mensen niet voor de hel geschapen zoals Allah. Hij wil dat ook jij gelooft en eeuwig leven ontvangt. Maar Hij geeft je de vrijheid, dus het is dan aan jou: wil je Jezus als Heer en Redder aannemen of niet?

Plaats een reactie